Hoe wordt de temperatuur gemeten?

Het lijkt supersimpel: hang een thermometer buiten en je weet hoe warm of hoe koud het is.
Probleem is dat we enkel de luchttemperatuur willen meten en niets anders. Een thermometer die in de zon hangt,
zal ook de stralingswarmte van de
zon
registreren. Op die manier worden soms temperaturen van meer dan 50 graden gemeten...
Een thermometer moet dus in de schaduw hangen. Hij moet zelfs voortdurend in de schaduw hangen, want een muur die naar het oosten gericht is,
zal de zonnewarmte van de ochtenduren nog lang laten nazinderen en ook dat wordt door de thermometer opgepikt.

De Wereld Meteorologische Organisatie (WMO) heeft bepaald dat de temperatuur wordt gemeten in goed geventileerde
gesloten thermometerhutten
die (in het noordelijk halfrond) openen aan de noordkant. De hut moet staan op een kort gemaaid grasveld. De thermometer moet hangen op een hoogte
van 1,5 meter.
Het lijkt een nodeloos ingewikkelde definitie, maar het is uiterst belangrijk. Anders kunnen we de metingen niet vergelijken of uitspraken doen
over het
veranderende klimaat.
Veranderende waarnemingsomstandigheden
Het is heel moeilijk om de waarnemingsomstandigheden constant te houden in de tijd. Van
1833 tot
1890 gebeurden de Ukkelse waarnemingen in
Sint-Joost-ten-Node, waar het weerkundig observatorium eerst gevestigd was.
In de loop der jaren is de Brusselse agglomeratie gegroeid,
waardoor een stadseffect ontstond: beton en bakstenen houden de warmte veel langer vast.
Je kan dus niet zonder meer de temperatuurgegevens van 1833 vergelijken met die van de 21-ste eeuw. Er moeten correctiefactoren worden toegepast om
alle systematische fouten zoveel mogelijk te elimineren. Het homogeen maken van de gegevens is een heel lastig werk. Gelukkig beschikken we
over veel
waarnemingsgegevens.
In de klimatologie kijken we o.a. naar het aantal
ijsdagen,
vorstdagen,
zomerse dagen en
tropische dagen.